|
|
Historie |
Historie:
|
Café de Tram: sneltrein naar gezelligheid
Tegenwoordig komt de vaste klandizie van ‘de Tram’ in de regel te voet of per fiets naar dit onvolprezen etablissement. Dit is vreemd, omdat de reden van de bouw van het lokaal juist was om de bevolking niet meer te laten lopen of fietsen. Het was namelijk een station van de tramlijn ‘Linker Maasoever’ van de Limburgse Tramweg Maatschappij. Het woord ‘tram’ is overigens nogal een understatement voor de logge locomotieven die van Roemond (via Horn, Beegden, Heel, Panheel, Thorn en Ittervoort) naar de Belgische Grens denderden. In elk geval waren ze in niets te vergelijken met de gestroomlijnde ‘rammelkasten’ die in de moderne steden rondrazen. De lijn is tussen 1915 en 1935 in bedrijf geweest ‘tot opbloei en voorspoed van gansch de streek en den aldaar aanwezigen boerenstand’. ‘Ons’ café ‘de Tram’ dateert derhalve uit 1915.
Pakketdienst ‘Pelle’? De route die de tram aflegde is tegenwoordig nog goed te reconstrueren door de gebouwen (waaronder Café ‘de Tram’ in Heel en ‘de Tramhalte’ in Ittervoort) maar ook door de straatnaam ‘trambaan’ (Thorn en Ittervoort). De tram vervoerde niet alleen passagiers, ook allerlei goederen werden meegenomen. Lokale ondernemers deden goede zaken door de tram en lieten de tram wanneer nodig gewoon voor hun zaak stoppen om goederen op en af te laden. Moet je nu mee aankomen bij de NS… De lokaalhouders van de stations verzorgden pakketdiensten voor hun dorp en zelfs kon men boodschappen laten verrichten of bestellingen plaatsen (allei Pelle, laot gaon, gank mich efkes sigare hoeële in de sjtad).
Ondanks het luide gesis en gestoom, de vette rook van steenkool, het luide snerpen van de stoomfluit en de duizelingwekkende vaart van 15 à 20 km per uur, deden zich in de periode dat de tram voortboemelde door Heel geen persoonlijke ongelukken voor (in elk geval minder ongelukken dan wanneer de huidige cliëntele aan de boemel is geweest…). Twee betreurenswaardige ongelukken deden zich in die twintig jaar voor. Zo kwam de hond van de stationsbeheerder Smeets uit Panheel (tegenover ‘de mös’), in de koude winter van 1927 met zijn staart onder de tram, en moest sindsdien dus staartloos door het leven (sjtóm bieëst). Verder valt er één forse aanrijding te betreuren (najaar 1922) met de auto van Dhr. Mertens (woonachtig naast de huidige Herberg de Heere van Heel). Mertens’ auto was totall-loss maar gewonden zijn bij het accident niet gevallen omdat de chauffeur juist bezig was zijn auto opnieuw aan te zwengelen (net Laurel & Hardy). Dat het bij deze twee tamelijk bescheiden ongelukjes is gebleven mag een wonder heten. De kinderen uit de dorpen legden namelijk regelmatig hun oor te luister op de rails, trokken hun benen nét op tijd weg voor het aanstormende gevaarte of lieten een spijker pletten door de raderen van de Machtige Machinerie.
Verder valt er niet veel te melden over dit merkwaardige vervoermiddel, vóór de tijd van bussen en vrachtauto’s. Of het moest zijn dat ‘die’ van Grathem en Wessem naar Panheel moesten lopen om op de tram te mogen stappen. En natuurlijk dat we aan de voortvarendheid van de ‘eedelachtbare heeren notabelen’ uit die tijd een halte hebben overgehouden waar het in sneltreinvaart gezellig kan worden…
|